menu

Terug naar Editorials

Is de aansprakelijkheid van werkgevers opgerekt?

In twee arresten oordeelt het Hof Den Haag de verzekeraar van twee scheepswerven aansprakelijk voor asbestziekten bij werknemers die in de jaren 50 van de vorige eeuw aan asbest zijn blootgesteld (1). In de zaken wordt de werkgevers verweten dat ze toen geen maatregelen troffen om asbestbesmetting tegen te gaan. Tot voor kort werd door rechters aangenomen dat bedrijven pas ergens in de jaren 60 van de vorige eeuw op de hoogte moeten zijn geweest van de alomvattende risico's van asbest. Sinds die tijd hadden ze dus maatregelen moeten nemen om hun werknemers te beschermen tegen de asbestziekte maligne mesothelioom. De arresten van het Hof Den Haag hebben de pers in ruime mate gehaald. Kern van de berichten luidde dat de verjaringsdatum zou zijn verschoven naar 1949, het jaar waarin asbestose als beroepsziekte werd erkend met de publicatie van het wetsontwerp “wettelijke regeling betreffende het voorkomen en bestrijden van silicose en andere stoflongziekten (pneumoconioses)”.
Is mesothelioom in de vijftiger jaren de werkgever te verwijten?
De vraag is natuurlijk of bovengenoemde rechterlijke uitspraken zo’n vergaande strekking zullen hebben. Feit is dat het in beide zaken gaat in om een werknemer in de scheepsbouwindustrie die intensief aan asbest is blootgesteld. De gevaren voor de gezondheid, zo wordt verondersteld, waren daar al lang bekend, het gegeven dat door de werkgever geen passende beschermende maatregelen waren getroffen ook. Wat in de 50’er jaren nog niet bekend was, is dat asbestblootstelling ook kan leiden tot de ziekte maligne mesothelioom. In 1969 betekende de dissertatie van bedrijfsarts Jan Stumphius Asbest in een bedrijfsbevolking. Een onderzoek naar het voorkomen van asbestlichaampjes en mesotheliomen op een scheepswerf en machinefabriek (2) een doorbraak. In de buitenlandse literatuur werd begin zestiger jaren al gewezen op het oorzakelijk verband tussen asbestblootstelling en mesothelioom. Het springende punt is dus of de ziekte mesothelioom de werkgever in de vijftiger jaren kan worden verweten als de ziekte als zodanig nog niet bekend was. Het Haagse Hof gaat hier in zijn uitspraak uitvoerig op in. Het Hof is van oordeel dat de ernst van de mogelijke gezondheidsschade voldoende dringend was om voorzieningen te treffen, zoals het gebruik van half-maskers en verse-luchtkappen. Dat het gebruik van dergelijke maskers en kappen geen bescherming tegen het risico van mesothelioom zou hebben geboden is door betrokken werkgever gesteld, noch gebleken. Mede op grond hiervan oordeelt het Hof dat sprake is van een zodanige verwijtbaarheid dat dit in de totale weging gewicht in de schaal legt ten gunste van doorbreking van de verjaring. Omdat de werkgevers juist op dit punt de belangrijkste grieven hadden geformuleerd valt de finale beslissing in het voordeel van betrokken werknemers uit.

Reikwijdte uitspraken
Belangrijk bij dit alles is dat het Hof uitdrukkelijk laat meewegen dat in de scheepsbouw in de jaren ’50 en ’60 veelvuldig met asbest is gewerkt en dat de werkgevers op de hoogte hadden moeten zijn van de gevaren die de werknemers hierdoor liepen. Dat de literatuur in de ’50 er jaren ‘slechts’ toezag op de gezondheidsschade als gevolg van langdurige en/of intensieve blootstelling acht het Hof van ondergeschikt belang, juist ook omdat betrokken werkgever geen aandacht heeft gehad voor het effectief voorkomen van de dreigende asbest-problematiek. Het lijkt een duidelijk standpunt, dat ook voor wat betreft de tekortschietende zorgplicht van de werkgever betrokken wordt door het Hof ‘s-Hertogenbosch in een arrest van 18 december 2012. (3) Langs deze lijnen zal in voorkomende gevallen recht worden gesproken, mits de Hoge Raad ter zake geen ander oordeel heeft. Hiertoe is het wel allereerst noodzakelijk dat een van de betrokken werkgevers in cassatie gaat.

Conclusie
Wij kunnen dus voorlopig concluderen dat er sprake is van een belangrijke juridische ontwikkeling met betrekking tot de vraag of de 30-jarige verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid doorbroken kan worden. In bedrijfstakken (zoals de scheepsbouw) met grote bedrijven waar de werknemers in de 50’er en 60’er jaren langdurig en/of intensief zijn blootsgesteld aan asbest en waar de werkgever geen afdoende beschermende maatregelen heeft getroffen zijn de werkgevers aansprakelijk te houden als werknemers worden geconfronteerd met de ziekte mesothelioom. In bedrijfstakken en beroepen waar minder langdurig en/of minder intensief met asbest is gewerkt lijkt dit niet het geval. Van een algemene verschuiving van de verjaringsgrens van 1969 naar 1949 is dan ook op dit moment geen sprake.

Simone Aarendonk, Machiel van der Woude
Maart 2013

(1) Hof Den Haag, 18 december 2012: BY6205 en 6208
(2) J. Stumphius. Asbest in een bedrijfsbevolking, Van gorcum & Comp., Assen 1969
(3) Hof Den Bosch, 18 december 2012: BY7010