menu

Terug naar Editorials

Er wordt weer gesproken over de redelijkheid en billijkheid bij het beroep op verjaring

Veel asbestslachtoffers die de schade willen verhalen worden geconfronteerd met verjaring. Onlangs is de eerste zitting geweest van een panel van deskundigen. Dit panel velt snel een oordeel of in de betreffende zaak een beroep op verjaring standhoudt.

Stel dat u op de deurmat een boete vindt voor een verkeersovertreding van twee jaar geleden. Waarschijnlijk vraagt u zich dan af of die rekening niet wat eerder verstuurd had kunnen worden. Kunt u zich nog wel herinneren dat u deze overtreding heeft begaan? En, mocht u het niet met de boete eens zijn, is het ook moeilijk om bewijzen aan te voeren voor uw onschuld.

In wezen kan iedereen zich wel vinden in het rechtsbeginsel van verjaring. Het is goed dat claims niet eindeloos boven de markt blijven hangen. Een schuldeiser mag niet, nadat een vordering is ontstaan, lange tijd stil gaan zitten en dan opeens met de oude rekening op de proppen komen.

Helaas is het bij verjaring niet altijd zo simpel als bij de laat verstuurde verkeersboete. Want hoe moeten we de zaak beoordelen van een schuldeiser die de schade niet kan opeisen, omdat deze voor hem of haar altijd verborgen is geweest?

De ‘verborgen schade’ is precies waar het om gaat bij gezondheidsschade als gevolg van blootstelling aan asbest. De termijn dat een asbestziekte zich openbaart bedraagt inmiddels veertig tot vijftig jaar. Al die tijd heeft het slachtoffer geen schade. Daarom kan het slachtoffer een werkgever niet aansprakelijk stellen. Maar op het moment dat de schade zich wel openbaart kan de vroegere werkgever of diens verzekeraar een beroep doen op verjaring. De verjaringstermijn bij asbestschade bedraagt dertig jaar.

Het feit dat asbestslachtoffers worden geconfronteerd met verjaring ervaart men als onredelijk. Door het beroep op verjaring hebben zij namelijk geen mogelijkheid om een veroorzaker aan te spreken op de ontstane schade. In feite strijden twee beginselen van het recht die met elkaar. Wat is belangrijker: het recht van het asbestslachtoffer om schade te verhalen op de veroorzaker of het recht van de vroegere werkgever om geen schade te hoeven betalen voor iets dat is veroorzaakt in een ver verleden?

Vanwege dit dilemma heeft de Hoge Raad indertijd bepaald dat het beroep op verjaring niet absoluut geldt. Er kunnen redenen zijn waarom het beroep op verjaring onredelijk of onbillijk is. De Hoge Raad noemt zeven, niet limitatieve gezichtspunten op basis waarvan deze beoordeling kan worden gemaakt.

Er is in de juridische literatuur veel geschreven over deze gezichtspunten van de Hoge Raad en hoe die in de praktijk worden toegepast door verschillende rechters. Geconstateerd werd dat rechters bepaalde gezichtspunten niet eenduidig behandelen. Hierdoor krijgt een gang naar de rechter een bepaalde onvoorspelbaarheid.

Misschien het belangrijkste probleem was dat de zeven gezichtspunten niet passen binnen de wijze waarop we in Nederland de juridische lijdensweg van asbestslachtoffers vormgeven. Het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) is opgericht als een laagdrempelige voorziening om te bemiddelen tussen partijen buiten de rechter om. Zo krijgt het asbestslachtoffer snel duidelijkheid over een financiële genoegdoening. Maar wanneer er tijdens de bemiddeling een beroep wordt gedaan op verjaring heeft het asbestslachtoffer maar één mogelijkheid om dit aan te vechten: een gang naar de rechter.

In juni vorig jaar heeft de Raad van Toezicht en Advies van het IAS een belangrijk besluit genomen om deze barrière voor asbestslachtoffers te beslechten. Er wordt een deskundigenpanel verjaring opgericht, dat buiten de rechter om een advies geeft over de redelijkheid en billijkheid van het beroep op verjaring. Het panel zal alleen zaken behandelen voor slachtoffers met maligne mesothelioom en als er in de betreffende zaak geen andere geschilpunten zijn. Belangrijk is dat dit panel werkt binnen de bemiddeling van het IAS. Het asbestslachtoffer hoeft geen kostbare en langdurige juridische procedure te beginnen om de verjaring aan te vechten.

Op 22 januari was de eerste zitting van het panel. Het ging om een zaak van een 82-jarige voormalig loodgieter, bij wie een jaar geleden maligne mesothelioom is vastgesteld. De laatst mogelijke asbestblootstelling dateert van rond 1970. Op het moment van het verschijnen van deze nieuwsbrief is het advies van het panel nog niet beschikbaar. De adviezen van het deskundigenpanel verjaring zullen in geanonimiseerde vorm beschikbaar komen op de website van het IAS.

Het is te hopen dat partijen de weg naar het deskundigenpanel verjaring weten te vinden. Het is positief dat er nu in elk geval ook weer gesproken wordt over de redelijkheid en billijkheid van het beroep op verjaring in een betreffende casus. Dat is geen eenvoudige materie. De leden van het panel wordt hierbij veel wijsheid toegewenst.

Jan Warning, januari 2019
Directeur Instituut Asbestslachtoffers

j.warning@ias.nl