menu

Terug naar Editorials

Verjaring probleem voor driekwart van de asbestslachtoffers met mesothelioom

Als zestienjarig meisje werkte mevrouw Hesse in de jaren vijftig van de vorige eeuw enige tijd op de administratie van een fabriek van isolatiemateriaal. Op de afdeling waar met asbest werd verwerkt mocht ze niet komen. Toch heeft ze asbestvezels ingeademd, omdat de productiemedewerkers met hun kleding overal in het gebouw rondliepen. Zestig jaar later krijgt mevrouw Hesse mesothelioom.

Als zestienjarig meisje werkte mevrouw Hesse in de jaren vijftig van de vorige eeuw enige tijd op de administratie van een fabriek van isolatiemateriaal. Op de afdeling waar met asbest werd verwerkt mocht ze niet komen. Toch heeft ze asbestvezels ingeademd, omdat de productiemedewerkers met hun kleding overal in het gebouw rondliepen. Zestig jaar later krijgt mevrouw Hesse mesothelioom.

Het verhaal van mevrouw Hesse is breder bekend geworden. In het kader van het Europees voorzitterschap is dit jaar een korte film van haar gemaakt en vertoond op een congres over beroepsgebonden kanker in Amsterdam. Kort na de opnames is mevrouw Hesse overleden.

Iedereen weet dat het lang duurt voordat kwalijke gevolgen van asbest merkbaar zijn. Toch blijft het verbazingwekkend dat gebeurtenissen van zestig jaar geleden zo’n impact hebben in het heden.

Het verhaal van mevrouw Hesse is niet uniek. De IAS-monitor is zojuist geactualiseerd en te raadplegen op de website ias.nl. Te lezen valt dat de latentietijd (de tijd tussen het eerste contact met asbest en het optreden van de ziekte) inmiddels is opgelopen tot meer dan 50 jaar. In het jaar 2005 bedroeg de gemiddelde latentietijd nog 48,5 jaar, in 2014 is die opgelopen tot 53,1 jaar.

Er zijn verschillende verklaringen voor de verhoging van de latentietijd. Omdat pas vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw het gebruik van asbest toenam is er een lange tijdspanne nodig om de latentietijd goed te kunnen bepalen. Een tweede verklaring is dat mensen steeds ouder worden, vroeger waren ze al aan iets anders overleden voordat ze mesothelioom konden krijgen. De derde verklaring heeft te maken met het feit dat in de vorige eeuw aanvankelijk vaker crocidoliet asbest werd gebruikt en er in hoge concentraties werd gewerkt. Daarna werd deze asbestsoort verboden en was de blootstelling lager. Mogelijk manifesteert de ziekte zich bij de latere asbestblootstelling minder snel.

Een lange latentietijd heeft voordelen: als het langer duurt voordat mensen ziek worden hebben ze meer gezonde levensjaren. Er is echter ook een belangrijk nadeel: omdat de schade verjaard is kunnen slachtoffers hun (ex-)werkgever niet meer aansprakelijk stellen.

In Nederland kennen we voor deze gebeurtenissen een absolute verjaringstermijn van dertig jaar. Deze begint te lopen vanaf het moment dat de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvindt. Dit betekent dat van de mensen die nu mesothelioom krijgen driekwart wordt geconfronteerd met de verjaring, want zij zijn ziek geworden op een moment dat de schade in juridische zin al is verjaard.

Het beginsel van de verjaring is gebaseerd op het principe van rechtszekerheid. Op een gegeven moment moet een burger of een bedrijf zeker weten dat bepaalde gebeurtenissen in het verleden niet meer verhaalbaar zijn. Ook moeten reserveringen voor eventuele toekomstige claims kunnen vrijvallen. Daar staat tegenover dat pas op het moment dat een burger weet dat er sprake is van schade, hij of zij dit kan verhalen op een aansprakelijke partij.

Eigenlijk zijn alle betrokken partijen in Nederland het er wel over eens dat de verjaring een ongewenste belemmering is in het streven naar een snelle schadeafhandeling voor asbestslachtoffers. Enkele grote werkgevers en een grote verzekeraar hebben de afgelopen jaren al besloten om vrijwillig af te zien van een beroep op verjaring.

Dat laat onverlet dat verjaring nog de belangrijkste reden is om niet tot een geslaagde bemiddeling te komen. Uit dossieronderzoek van het IAS blijkt dat de afgelopen drie jaar in 41% van de niet geslaagde bemiddelingen met een werkgever of verzekeraar er een beroep op verjaring is gedaan.

Ook minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft zich recent gebogen over het vraagstuk. Hij is ‘sterk gemotiveerd’ om de verjaringsproblematiek op te lossen, schrijft hij in juni in een brief aan de Raad van Toezicht en Advies van het IAS. Volgens de minister dienen sociale partners hierover afspraken te maken. Hij stelt een aanpassing van het Convenant instituut asbestslachtoffers voor waarin partijen uitspreken dat vrijwillig wordt afgezien van verjaring. Mocht een dergelijke aanpassing van het convenant niet mogelijk zijn laat hij nadrukkelijk open om de wet aan te passen.

De bal ligt nu bij de sociale partners. Zij polsen nu hun achterban, een reactie van de Raad van Toezicht en Advies wordt over enkele maanden verwacht.

Terug naar het voorbeeld van mevrouw Hesse. In haar geval was verjaring geen probleem, want de fabriek van isolatiemateriaal bleek te zijn verzekerd bij een verzekeraar die nu al vrijwillig afziet van een beroep op verjaring. Zo kon zij bij leven een volledige schadevergoeding ontvangen. Dit geeft haar verhaal geen happy end, maar maakt het wel iets minder wrang. Dat wordt ook de andere asbestslachtoffers toegewenst.

Jan Warning,
Directeur IAS
j.warning@ias.nl

September 2016

Interview met mevrouw Hesse