menu

Terug naar Editorials

Een bittere erfenis uit het verleden

Een bittere erfenis uit het verleden (1)
Dit blog is geplaatst op 17 augustus 2016

Het geheugen van de man werkt nog heel goed. Vijfenzeventig jaar oud is hij nu. Maar hij kan nog precies vertellen hoe hij als timmerman veertig jaar geleden zijn werk deed. Bij nieuwbouwprojecten werd hij vooral ingeschakeld voor het plaatsen van kozijnen en deuren. Werkte hij toen ook met asbesthoudend materiaal? “Dat weet ik eigenlijk niet” antwoordt hij. “U moet bedenken dat asbest vroeger een heel gangbaar materiaal was. Heel anders dan nu. Je lette er eigenlijk niet op als je met asbest werkte.”

 

Ik ben getuige van een interview waarbij het arbeidsverleden van de man in kaart wordt gebracht. Vorige week heeft hij bij de longarts de diagnose ‘maligne mesothelioom’ te horen gekregen. Deze term staat voor longvlieskanker. Longvlieskanker wordt veroorzaakt door contact met asbest in het verleden.

Maligne mesothelioom
Bij meer dan vijfhonderd mensen wordt jaarlijks in Nederland maligne mesothelioom geconstateerd. Het aantal is al jaren vrij constant en neemt niet af, ook al geldt er sinds 1993 een verbod op het verwerken van asbest. Na blootstelling aan asbest duurt het namelijk nog tientallen jaren voordat de ziekte zich ontwikkelt.

Maar als de ziekte eenmaal is vastgesteld gaat het heel snel. Longvlieskanker is een zeer progressieve aandoening waarvoor geen genezing mogelijk is. Negentig procent van de ziektegevallen overlijdt binnen één jaar.

Eind jaren negentig van de vorige eeuw was het gebruik van asbest weliswaar verboden maar bleek dat dat de samenleving nog met een bittere erfenis uit het verleden zat opgezadeld. De asbestslachtoffers zien zich na een leven lang hard werken geconfronteerd met een medische lijdensweg. Daarnaast hebben ze ook nog een juridische lijdensweg. Omdat de meeste mensen zijn blootgesteld aan asbest gedurende hun werk kunnen zij hun (voormalige) werkgever aansprakelijk stellen voor de opgelopen schade.  Maar door de progressiviteit van de ziekte is men meestal al overleden voordat de juridische stappen zijn uitgevoerd. In 1999 hebben daarom sociale partners, samen met de overheid, patiëntenorganisaties en de verzekeraars het Instituut Asbestslachtoffers opgericht. Dit instituut moet op een laagdrempelige wijze de juridische lijdensweg van de slachtoffers verkorten.

Het Instituut Asbestslachtoffers
Slachtoffers kunnen zich melden bij het instituut. Er vindt een check plaats op de diagnose van de ziekte. Daarnaast worden alle dienstverbanden van het slachtoffer opgetekend en wordt gevraagd waar er contact met asbest heeft plaatsgevonden. In dat kader vindt ook het gesprek met de timmerman plaats die bij nieuwbouwprojecten werd ingeschakeld.

Het Instituut Asbestslachtoffers beschikt dus over een database met duizenden dienstverbanden waar asbestslachtoffers hebben gewerkt. Het blijkt dat de meeste dienstverbanden komen uit de bouw en de installatie. In totaal gaat het om meer dan 4.500 dienstverbanden waar in het verleden zeker of vermoedelijk blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden.

Koppositie van de bouwsector
Het feit dat deze twijfelachtige eer de bouwsector toevalt is niet vreemd als we hierbij betrekken welke enorme toepassing van asbestmaterialen in de tweede helft van de vorige eeuw heeft plaatsgevonden in de bouw. Zo bestond in 1986 ruim veertig procent van het totale drinkwaterhoofdleidingnet uit asbestcement-buizen. De meeste beroepen in de bouw kwamen op de een of andere manier in contact met asbest. Stukadoors gebruikten afdekkingsmiddelen op asbestbasis om te verwerken op muren, plafonds en vloeren. Door het zagen, slijpen, frezen en boren van asbestcementproducten werden zij blootgesteld. Een andere bijzondere groep waren de schilders in de renovatie, waar het risico lag in het opschuren van asbestcementplaten.

De koppositie van de bouwsector als het gaat om blootstelling is natuurlijk vooral een zaak van het verleden. Toch heeft deze bittere erfenis ook nu een betekenis in het heden. Ten eerste blijkt dat door de grote hoeveelheid asbest die in de bouw is gebruikt blootstelling ook nu nog steeds een risico bij verbouwing, renovatie of saneringswerkzaamheden. We hoeven niet hysterisch te doen, maar waakzaamheid en het volgen van de procedures is geboden.

Ten tweede is asbest niet de enige gevaarlijke stof in de bouw. Schadelijke stoffen zitten bijvoorbeeld in verf, lijm of ontkistingsmiddel. Ze kunnen ook ontstaan in een proces of tijdens het werk, zoals dieselmotoremissies of lasrook. Alle gevaarlijke stoffen dienen beheerst te worden, dit dient vastgelegd te worden in de risico-inventarisatie van het bedrijf. Nu we zien hoeveel ellende gevaarlijke stoffen uit het verleden kunnen veroorzaken, is alertheid op risico’s bepaald geen overbodige luxe.

Jan Warning, directeur IAS

(1)Geplaatst op BouwKennisBlog d.d. 17 augustus 2016