menu

Terug naar Editorials

Erkenning voor slachtoffers met schildersziekte

Asbest staat welhaast synoniem met gevaren op het werk. Als eenmaal de diagnose van een asbestziekte is gesteld, dringen zich bij het slachtoffer vragen op. Wanneer ben ik blootgesteld? Had dit voorkomen kunnen worden? Heeft iemand schuld aan mijn ziekte?

Naast asbest zijn er, helaas, nog veel méér gevaarlijke stoffen op het werk. Bij slachtoffers van andere beroepsziekten schieten ook vragen door het hoofd. In die gevallen kunnen we leren van de wijze waarop we in Nederland met asbestblootstelling omgaan.
Vanaf 1 maart van dit jaar is de ‘Regeling tegemoetkoming werknemers met CSE’ van kracht. Deze regeling voorziet in het verstrekken van een eenmalige tegemoetkoming van de overheid aan een afgebakende groep slachtoffers. CSE is de wetenschappelijke benaming voor de schildersziekte, ook wel OPS genoemd. Werknemers die in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw intensief en zonder bescherming hebben gewerkt met verf, lijm of inkt kunnen onherstelbare beschadiging van het centrale zenuwstelsel hebben opgelopen.
De totstandkoming van deze regeling kende een zeer lange voorgeschiedenis. De patiëntenvereniging, de Stichting OPS, heeft vele jaren geijverd voor een regeling voor slachtoffers die niet in staat waren om bij hun voormalige werkgever een schadevergoeding te claimen. Op een gegeven moment benoemde de minister van SZW twee prominenten uit de polder tot verkenner. Deze verkenners, Ton Heerts (ex-FNV) en Niek-Jan van Kesteren (ex-VNO-NCW), kwamen eind 2018 tot het advies dat er een eenmalige coulanceregeling moest komen voor deze afgebakende groep slachtoffers, gefinancierd door de overheid. De Tweede Kamer stelde zich achter dit advies middels een zeer breed gedragen motie.
Toen ging het snel. Iets meer dan een jaar later meldden zich in de eerste maand al 258 mensen bij het OPS-loket om in aanmerking te komen voor de regeling. De regeling zelf vertoont opvallende overeenkomsten met de regelingen voor asbestslachtoffers. Zo zijn de hoogte van de tegemoetkoming van de overheid en het normbedrag voor de schadevergoeding van de werkgever identiek. Ook is de wijze waarop de diagnose wordt vastgesteld en het achterhalen van de arbeidshistorie van het slachtoffer overeenkomstig met hoe dat bij asbestslachtoffers het geval is.
Het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) voert de regeling uit in samenwerking met de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Beide organisaties werken al sinds het jaar 2000 samen aan de uitvoering van de asbestregelingen. De wijze waarop aan asbestslachtoffers erkenning wordt gegeven was  een voorbeeld voor de dienstverlening aan slachtoffers met de schildersziekte.
Inmiddels hebben zich tot 1 september 2020 470 mensen aangemeld bij het OPS-loket. Het onafhankelijk medisch panel heeft bij driekwart van de afgehandelde dossiers kunnen bevestigen dat de aanvrager de ziekte CSE heeft. En 110 slachtoffers hebben tot op heden  een tegemoetkoming ontvangen van de SVB, ongeveer 300 aanvragen zijn nog in behandeling.
Op de website van het OPS-loket zijn twee ervaringen van patiënten opgenomen. Ze hebben vergeefs een lang juridisch gevecht gevoerd voor compensatie van de voormalige werkgever. De tegemoetkoming van de overheid wordt toch als een vorm van erkenning ervaren.
In een nog niet gepubliceerde masterscriptie staat het volgende citaat van een OPS-patiënt in zijn eigen, enigszins haperende woorden: ‘Dat geld maakt het niet goed, alle ellende die ik heb. (…) Alleen is het een stukje genoegdoening, dat het erkend is, nu ook door – hoe noem je dat – door de ‘hoge heren’.'
Erkenning voor leed geeft een dubbel gevoel. Enerzijds wordt de ellende die mensen hebben doorgemaakt weer opgerakeld door de aanvraag bij het OPS-loket. Anderzijds maakt het financiële gebaar het mogelijk dat slachtoffers het boek kunnen sluiten. Het is een prettige gedachte dat de ervaring die is opgebouwd rond asbestslachtoffers, hiervoor kan worden benut.

Jan Warning
Directeur Instituut Asbestslachtoffers
j.warning@ias.nl
September 2020